De laatste keer

‘Je bent te triest voor woorden.’
Snel stopte Valentijn zijn mobiel weer in zijn zak.
Zijn vrouw keek demonstratief de andere kant op, naar het raam.

Zwijgend keek hij met haar mee hoe de regendruppels samen kleine riviertjes vormden en naar beneden stroomden, tot ze uiteindelijk via het raamkozijn op de grond zouden landen en weer daar zouden zijn waar ze ooit waren begonnen.
-Of geëindigd-.

Veel liever had hij nu thuis gezeten; bordje op schoot, DWDD, maar hij zat hier, in ‘de Krokodil’, waar ze sinds ze elkaar hier ontmoet hadden toen hij er in zijn studententijd werkte en zij daar een keer was komen eten, minstens al vijftig keer samen waren geweest.

Een grote witte plastic tas van de Hema die door de donkere lucht recht op hem af leek te waaien, deed hem opschrikken uit zijn gedachten.
Heel even bleef hij plakken in de hoek van het raam tot hij weer door de wind werd opgetild en verder werd geblazen, hoger en hoger de boom in, tot hij aan een tak bleef haken.
Op dat moment verscheen de ober met een grote karaf rode wijn.

‘Uw paraplu is gevallen meneer’.
Hij lag in zijn eigen plasje, de zwarte vleugels een klein beetje geopend, alsof het ding een dode raaf wilde imiteren.
Valentijn raapte hem op en zette hem nogmaals met de punt naar beneden in het hoekje achter zijn stoel.
Toen hij ermee klaar was zag hij dat de ober de menukaarten had neergelegd.

‘Zullen we ergens op proosten?’
Hij had het gevraagd terwijl zijn schouders het antwoord eigenlijk al gaven.
Ze rolde met haar ogen.
Het was ook nooit goed bij haar.
Wat wilde ze nou?
Hij was hier toch?
Dit wilde ze toch?
Hèt nog één keer proberen?
Hij nam een slokje.
De wijn smaakte een beetje wrang.
Wranger althans, dan hij het zich herinnerde.
Peinzend keek hij om zich heen terwijl hij zijn glas weer neer zette.
Er waren alleen maar stellen.
Pakken met stroppen en jurken met hakken.
Ròde jurken, ròde hakken, ròde lippen.
Hier en daar was zelfs subtiel een rood bh bandje zichtbaar.
Hij werd bijna onpasselijk van al dat rood.
Hij had ook gewoon een pilsje moeten nemen dacht hij, terwijl hij toekeek hoe zij haar glas in één keer leeg klokte.

‘jij nog wijn?’
Hij schudde zijn hoofd.
Ze haalde haar schouders op.
‘Dan niet’ betekende dat.

Terwijl ze voorovergebogen de menukaart bestudeerde die voor haar op tafel lag, keek hij naar haar.
Ze had haar nagels rood gelakt, hier en daar was ze kennelijk een beetje uitgeschoten.
-Zo moeilijk kon het toch niet zijn om een paar nagels netjes te lakken?-
Het was nu ook duidelijk te zien dat ze grijze uitgroei had; een uitgroei waarvan hij wist dat die de komende jaren niets elegants aan haar leeftijd zou toevoegen, zoals een paar enkele goed geplaatste diepe rimpels het gezicht van een wat oudere vrouw soms zo mooi konden sieren.
Nee, verre van dat.
Het leuke blonde staartje wat hij vroeger altijd zo had gevonden was inmiddels ook allang ingeruild voor het middelbaar kapsel.
In gedachten noemde hij het haar platte-kontenkapsel.
Het maakte hem woedend.
De kont, de nagels, het kapsel.
Zìj!

Ze had haar keuze gemaakt, zei ze.
Een maaltijdsalade!
-Alsof die ene salade haar zou helpen bij de strijd tegen haar overgewicht-.
Hij had nog niet eens op de kaart gekeken, maar een goede biefstuk leek hem wel wat, die waren hier heerlijk -vroeger wel tenminste- en dan eentje die nog lekker rood van binnen was om maar in de sfeer van de liefde te blijven.

Hij glimlachte om zijn eigen grapje.
‘Zit je me nou uit te lachen?’
Hij keek haar quasi verontschuldigend aan.
‘Sorry’.
Het woord leek nog minuten lang na te echoën.

Net toen hij besloot haar een beetje ter wille te zijn door haar te vragen of ze ‘er’ misschien over wilde praten, verscheen de ober alweer.
‘Het spijt me dat het even moest duren, het lijkt ieder jaar wel weer drukker’.
Ze hadden nog een zieke ook.
‘Zal je net zien’.

De ijzige stilte keerde na de korte onderbreking oorverdovend terug.
Moest hij soms haar hand pakken?
Praten?
Hij kon het niet.
Hij kon het echt niet.
Ze kon niet zeggen dat hij het niet had geprobeerd.

‘Mensen, een verrassing van de zaak’, riep de gerant vrolijk, terwijl een muzikant al bij het eerste tafeltje op een viool stond te spelen.
-Ook dat nog-.
In een reflex trok Vaal de strop van zijn das wat losser en maakte zijn bovenste knoopje los.
Het hielp niet veel.
Frisse lucht, dàt was wat hij nodig had.
‘Ik ga even naar het toilet’.
Het voelde warempel goed om haar daar zo miezerig alleen aan het kleine tafeltje in de hoek achter te laten.

Buiten stak hij een sigaret aan onder de luifel en keek op zijn mobiel.
Nog niets.
Ze was natuurlijk net klaar op kantoor.
Een grote regendruppel doofde zijn tweede sigaret voor hij nog maar half op was.

Toen hij weer binnen was zag hij dat zijn biefstuk al klaar stond op tafel.
Ze was al begonnen aan haar salade en had voor zichzelf weer wijn ingeschonken.
Er lag een roos naast haar glas, de donkerrode blaadjes waren al een beetje verlept.
Hij zei er niets over.
En zij ook niet.

Hun bestek tikte in dezelfde cadans op hun borden als de regendruppels tegen het raam.
Ze aten stilzwijgend.
Aan het tafeltje naast hen zat een verliefd jong stel.
Het contrast was schril.
‘Jij nog wijn?’
Hij schoof zijn glas een beetje naar voren.
‘Graag’.

Zij was klaar met eten.
De pitjes van de olijven lagen half afgekloven op het randje van haar bord, pal naast haar mes en vork.
Obers hadden daar een gruwelijke hekel aan.
Hoe vaak moest hij dat nou nog zeggen?
Was het nou zo’n grote moeite?
Hij zweeg.

Met het servetje veegde ze voorzichtig langs haar mond.
Boven haar lippen hadden de dunne lijntjes zich met het rood van haar lippenstift gevuld.
Het zag er goedkoop uit.
Weerzinwekkend zelfs, als hij heel eerlijk was.
Ook haar donkere oogmake-up was uitgelopen.
Hij had geen zin het haar duidelijk te maken, zoals vroeger, door heel subtiel naar zijn eigen ooghoekje te wijzen.
Had ze nou een knoopje van haar blouse extra open gedaan?
Ineens had hij geen trek meer.
Resoluut schoof hij zijn bord van zich af.

‘Wilt u onze dessertkaart zien?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Nee, brengt u de rekening maar’.
Als hij opschoot kon hij misschien nog heel even langs haar.
De ober nam de borden mee.

Terwijl zij de rest van de wijn in haar glas schonk zag hij hoe er een pitje van de rand rolde en midden in het looppad stil bleef liggen.
‘Ik ga nog even naar het toilet, oké?’
Bij het opstaan stootte ze tegen de tafel, waardoor zijn glas gevaarlijk heen en weer schommelde.
Hij was net op tijd.
Het hare was leeg.
Al wéér leeg.
Hij zag hoe ze bijna uitgleed over het pitje, ternauwernood kon ze haar evenwicht bewaren.
Vroeger had het hem niet zoveel kunnen schelen, maar nu schaamde hij zich diep toen zijn vrouw vervolgens tot twee keer toe mis greep naar de deurklink van het toilet.

Snel griste hij zijn mobiel uit zijn borstzak.
Gelukkig, een berichtje.
‘Zie ik je nog vanavond?’
Onder het bericht verscheen een foto van haar met rood getuite lippen, rood gelakte nagels, en rode stiletto’s.
Dàt, en natuurlijk het pikante zwarte setje wat hij vanmorgen nog had laten bezorgen, maakte dat er een wellustige glimlach zijn gezicht lag, toen hij zijn telefoon weer in zijn binnenzak liet glijden.

Hij had haar niet eens zien aankomen.
Opeens had ze achter hem gestaan.
‘Je bent echt te triest voor woorden!’
Toen hij zich omdraaide raakte haar vlakke hand hard zijn wang.
Het geroezemoes in de eetzaal verstomde. Alle hoofden draaiden nu in hun richting.
-God, wat walgde hij van haar-.
‘Kom, alsjeblieft geen scene nu’.
Behulpzaam hield hij haar jas voor haar op.
Als ze eerst maar hier weg waren.

Woest rukte ze de jas uit zijn handen en rende de straat op, dwars tegen de striemende regen in.
‘Sodemieter op Vaal.
Ga alsjeblieft naar haar!’

Dit was het dus.
Hier hield het op.
Hij zou naar háár gaan.
Definitief deze keer.

Voordat hij de hoek om liep keek hij nog eenmaal om, zodat hij nog net kon zien hoe een harde windvlaag de grote Hema-tas uit de tak van de boom rukte.
Eerst vloog hij wat doelloos in het rond, alsof hij zich even moest oriënteren, maar toen de wind even bedaarde dwarrelde hij neer en landde precies op de voorruit van de vrachtwagen die net door de bocht aan kwam rijden.

De chauffeur had de huilende vrouw die midden op straat liep onmogelijk nog kunnen ontwijken.

Te triest voor woorden, herhaalde Vaal.
-Ze had gelijk.-
Toen stak hij zijn paraplu op en vervolgde zijn weg.

Advertenties

De Zaak

Soms vind ik het leuk om af een toe mee te doen met een schrijfwedstrijd. Hieronder mijn inzending voor ‘De pennen zijn geslepen‘. Opdracht: Schrijf een eerste alinea van ten hoogste 150 woorden van een spannend verhaal. 


Het was de graafmachine in de lommerrijke tuin die het eerst tot haar bewustzijn doordrong. Direct daarna was het de allesverterende pijn in haar lijf geweest, gevolgd door het ijselijk besef dat ze vastgeketend lag aan haar eigen bed.
Ze had nooit naar de meisjes moeten vragen.
De stank van urine vermengd met de bedompte geur van bloed deed haar bijna overgeven, maar ze besefte dat de tape op haar mond haar dood zou betekenen als ze dat zou doen.
Het spel was nog niet gespeeld.
De graafmachine stopte.
De klink van de serredeur piepte toen ze hem open hoorde gaan. De kat miauwde om aandacht terwijl Roderik al naar boven stampte.
Uit angst draaide ze haar hoofd opzij. Direct herkende ze de foto’s van de azuurblauwe zwembaden uit de reclamefolder van de zaak die Roderik met duct tape naast het bed had geplakt.
Ze had haar antwoord gekregen.

Zomerzot

Zomaar in een
zwoele
zomerse nacht
zonder tijd
zonder morgen
zwemmen wij samen in
zee, als in een sprookje…

Zachtjes en teder
zoen je me onder
zoveel sterren en
zeg je me iets
Zo lief:

Zeemeermin

Zomaar in een
zwoele
zomerse nacht
zonder tijd
zonder morgen